logo Midwinterhoorngroepeibergen

De midwinterhoorn in Eibergen, Gerrit Hazewinkel aan het woord.

IMG_3307-1
In deze bijdrage wil ik het hebben over de Eibergse situatie, over Eibergenaren, die een
rol hebben gespeeld bij de terugkeer van de midwinterhoorn.

De rentree van de midwinterhoorn in Eibergen en Achterhoek

Toen ik in 1957 in Eibergen als onderwijzer begon, raakte ik bekend met de tradities in Twente via het dagblad Tubantia. Een gevolg was, dat ik me ging interesseren voor het midwinterhoornblazen en vooral in het: ‘waarom vindt het plaats’ en ‘hoe oud is die traditie’. De kennismaking met de streekhistoricus en dialectschrijver Hendrik Odink gaf aan mijn interesse een nieuwe wending. Tijdens één van de gesprekken over tradities vertelde ik hem dat ik naar Twente was geweest om te kijken en te luisteren naar het midwinterhoornblazen.Ik vertelde dat een tiental buurtschappen met elk vier blazers aanwezig was op een concours, waar werd gestreden om de ‘zilveren hoorn‘.

Opeens zei Hendrik Odink: “Maor wet iej wal, dat ’t vrogger hier in ’n Achterhook ok ewes hef?”. Nou dat wist ik dus niet. Odink beklom zijn praatstoel en vertelde over de tijd dat hij jong was, omstreeks de Eerste Wereldoorlog, over een zeventigjarige boerenman uit Zwolle bij Groenlo, die in zijn jeugd het blazen tegen ‘de Hoogtied‘ had  meegemaakt. Odink ging ervan uit, dat rond het midden van de vorige eeuw – tussen ongeveer 1850 en 1860 – het midwinterhoornblazen uit de Achterhoek is verdwenen. In Twente werd het pas kritiek omstreeks het midden van deze eeuw, maar door een artikel in de Twentsche Courant van 6 januari 1948 kreeg het blazen een nieuwe impuls. Op dat ogenblik waren er in Twente nauwelijks blazers te vinden, laat staan mensen die een hoorn konden maken. Echter op 18 december 1949, ’s avonds om zeven uur, pakte Bernard Boomkamp uit Hertme zijn hoorn, ging bij de waterput van het erf Vrielinkhoeve staan en blies de oude roep. Plaatselijke blazers gaven de boodschap door. Dat was de start (of: doorstart) in het Twentse land.

Om de stelling, dat vroeger ook in de Achterhoek werd geblazen, kracht bij te zetten, had Hendrik Odink nog een ander verhaal: “Het is het jaar 1815, kort na de Franse tijd. Er is gebrek aan vele levensmiddelen, smokkelen is één van de gevolgen. In Kotten bij Winterswijk hebben smokkelaars hun plannen klaar. Om de douanebeambten (de ‘kommiezen’) geen kans te geven, zal één van de smokkelaars zich verdekt opstellen met een midwinterhoorn in de hand. Zodra er onraad is zal hij een van te voren afgesproken signaal geven. Inderdaad komen er douanebeambten gevaarlijk dicht in de buurt van de smokkelaars. De blazer geeft zijn signalen en de smokkelaars maken zich uit de voeten. Niet echter de blazer, hij wordt gearresteerd en de hoorn wordt in beslag genomen. Een ‘corpus delicti‘ bij de rechtszaak in Zutphen”. De gegevens hierboven liggen in het archief van de rechtbank. Nadat Odink op de hem eigen smeuïge manier zijn verhaal had verteld, zei hij tegen mij: “Iej bunt nog jong, iej mot der hier in Eibargen en in den Achterhook weer met beginnen”.

Opnieuw naar Twente

Het zal waarschijnlijk 1967 zijn geweest, dat ik samen met mijn vrouw en onze kinderen voor de tweede keer het midwinterhoornblazen bezocht. Maar ditmaal beter voorbereid dan tijdens het eerste bezoek. Ik nam een cassetterecorder, een fototoestel en tekenspulletjes mee. De Twentenaren die meededen aan de blaaswedstrijd vroeg ik ongeveer het hemd van ’t gat. Vragen over houtsoort, lengte en dikte van de hoorn en over het mondstuk, de ‘happe‘ of, zoals ze in Twente vaak zeggen, ‘den spool‘. Ik maakte foto’s en tekeningen. Na de wedstrijd werden we uitgenodigd door Henk Meijer uit Losser om met hem mee te gaan. Hij was timmerman en maakte zijn eigen hoorns. Hij heeft mij zeer uitgebreid geïnformeerd over de techniek van het maken.
Het was kerstvakantie, ik kon dus meteen aan de slag. De eerste hoorn die ik heb gemaakt, hangt nog steeds in onze woonkamer. Deze is vervaardigd van een tak van een knotwilg. Ik heb allereerst de bast van de tak gehaald met een ouderwets trekmes, dat ik had gekregen van timmerman Derk Blankvoort. De hoorn wordt in de gewenste vorm gesneden. Daarna volgt een maandenlange droogperiode. Om barsten in de beide uiteinden te voorkomen, doe je daar slangklemmen omheen. Een half jaar later in de zomervakantie heb ik de tak doormidden gezaagd, uitgehold met gutsen en verder afgewerkt. Een mondstuk, gemaakt van een tweejarige tak van een vlierstruik, stop je in de geboorde opening aan het dunne uiteinde van de hoorn. En dan het spannendste moment: blaast de hoorn mooi en makkelijk? 

De Eibergse midwinterhoorngroep opgericht

De eerste Eibergenaar, die bij me kwam voor informatie over het vervaardigen van een hoorn en over de wijze van blazen was Henk Heuvelsland. Hij was werkmeester van de timmerafdeling en van algemeen onderhoud bij de K.T.V. Hij had een plat model van een hoorn in hardboard bij zich. Ik hoefde hem weinig te vertellen over het maken, want hij was een rasechte timmerman met een groot technisch inzicht. Ik vertelde hem over mijn ervaringen in Twente en hij mij over een bezoek aan Saasveld. We maakten elkaar steeds enthousiaster. Vlak voor hij wegging zij hij: “Zal ik mien zwaoger ’s vraogen? Dén veult daor vast ok wal veur”. Hij bedoelde Martinus (Tinus) Beunk, ook al een prima vakman. We besloten tot het oprichten van een groep. De volgorde van aanmelding van nieuwe leden weet ik niet meer. In elk geval kwamen al spoedig ‘de jongs van Beunk’ erbij: Dinant, later de oprichter van de Lochemse midwinterhoorngroep, en zijn broer Gerald. Kort daarop ben ik naar de repetitieavond van de twee Eibergse muziekverenigingen Euphonia en Excelsior gegaan. Ik heb jonge muzikanten gevraagd bij de groep te komen. Binnen een paar dagen kregen we er vier leden bij: Geert Odink, Hans te Rietmole, Erik ten Hoopen en Gerrit Heurneman. Later kwam er nog eens een vijftiental nieuwe leden bij.

Midwinterhoornblazers 1975-1_0001

Enkele blazers van de groep Eibergen bij de Mallumse Molen , december 1975
v.l.n.r. Geert Odink, Eric ten Hoopen, Gerrit Hazewinkel, Hans te Rietmole en Gerrit Heurneman.

Over één van de leden, namelijk Bernard Meijer van de Mallumse Molenweg, wil ik wat meer vertellen, omdat ik geen ander lid weet die zoveel echt plezier beleefde aan zijn hobby. Helaas, vanwege hartklachten kon hij niet zo best blazen, maar maken kon hij de hoorns des te beter. Tientallen heeft hij er gemaakt. En nu, na zijn overlijden in 1991, zijn het stille getuigen van zijn vakmanschap. Ik heb een paar hoorns, die Bernard heeft gemaakt. Ze blazen uitstekend. Hoorns van hem zijn terecht gekomen in verschillende landen van Europa. Zelfs in Australië en Zuid-Afrika. Toen een hoorn onderweg was met een vliegtuig naar Australië hebben enkele medepassagiers met toestemming van de eigenaar geprobeerd klanken te produceren.

bijlage foto De midwinterhoorn in Eibergen 

De belangstelling groeide

Zodra in de regio bekend werd dat er in Eibergen een midwinterhoorngroep bestond, volgden vele uitnodigingen. We verzorgden avonden voor ouderen, waarbij steeds het belangrijke verhaal over historische achtergronden, over de bedoeling ervan, over misbruik enzovoorts werd verteld. Ook de organisatoren van oude ambachtenmarkten hadden grote belangstelling. Vooral Dinant en Gerald Beunk zijn tientallen keren op stap geweest om demonstraties te geven. In de jaren 1970 tot 1990 hadden de meeste mensen nog nooit van een midwinterhoorn gehoord.

midwinterhoorngroep 27-12-1978

Midwinterhoorngroep Eibergen voor “Erve Vunderink” op 27-12-1978.
v.l.n.r. Gerrit Hazewinkel, Gerald, Martinus en Dinand Beunk, Hans te Rietmole, Gerrit Heurneman,
Arjan Vrieze, Marcel Luttikhuis en René te Bogt.

Enkele anekdotes:

Ons eerste optreden was in een Verzorgingshuis(toen nog Bejaardencentrum genoemd) in Varsseveld. Er werd vanzelfsprekend geblazen en het verhaal over betekenis en herkomst werd verteld.
Rond 1987 werden we gevraagd mee te werken aan een onderzoek dat de bouw, het geluid enzovoorts omvatte van houten blaasinstrumenten zoals de midwinterhoorn, die alleen voor speciale doeleinden wordt gebruikt. De groep van Lochem, waarvan Dinant Beunk de voorman is, werd eveneens gevraagd. Het onderzoek vond plaats in opdracht van de Universiteit van Amsterdam. Een paar dagen werkten we samen met twee antropologen en een filmer. Beeld- en geluidsopnamen werden gemaakt boven de put, in de put en in het open veld. Met verschillende hoorns en verschillende mondstukken. Ook in landen als Tibet en Peru zou onderzoek plaatsvinden en misschien zelfs bij de Aboriginals in Australië, die op een didgeridoo blazen. Overigens zonder een mondstuk zoals bij de midwinterhoorn hoort.

 

logo Midwinterhoorngroepeibergen

Tot slot

Wat bezielt vele mensen om een midwinterhoorn te maken en erop te blazen? Is het de mystiek, het geheimzinnige, iets waarvan we niet precies weten waar het vandaan komt? Of is het de uitdaging om van een berkenstam, een elzenstam of van een knotwilgentak een blaas-instrument te kunnen maken.

Mogelijk ook geeft het enigszins melancholieke geluid van de midwinterhoorn ons  het gevoel, dat we een beetje begrijpen wat de mensen in oeroude tijden hebben beleefd en ondergaan in de tijden dat men sterk geloofde in boze geesten die moesten worden verjaagd door veel geluid te produceren rond de oude hoeven. En …. de goede vruchtbaarheidsgeesten op te roepen vanuit de waterput voor de boerderij.

Om een goede midwinterhoorngroep te vormen en te blijven is het nodig dat men elkaar respecteert en elkaar de ruimte geeft  in wie we zijn en wat we presteren.

Vanaf het begin van de oprichting hebben we dat nagestreefd en ik vind dat ons dat redelijk goed is gelukt. Toen en nu nog!

In de beginjaren van de MIDWINTERHOORNGROEP-EIBERGEN kregen we steeds meer verzoeken om ergens op te treden. Nog niet zo veel als anno 2014. In de jaren 1970 tot 1990 hadden de meeste mensen nooit van een midwinterhoorn gehoord.

Ons eerste optreden was in een Verzorgingshuis(toen nog Bejaardencentrum genoemd) in Varsseveld. Er werd vanzelfsprekend geblazen en het verhaal over betekenis en herkomst werd verteld.

Een heel bijzondere uitnodiging kregen we vanuit Arnhem van een liefdadigheidsinstelling met de naam “RUK “ ,wat overigens gewoon: “Red Uw Kameraad “betekent. Een groep sociaal bewogen mensen ontfermde zich over ex-alcoholverslaafden met als Beschermheer Baron Van Verschuren ,eigenaar van de Heerlijkheid “Mariënwaert “ te Beesd in de Betuwe. Op zaterdag  14 dec. 1991 werden we om zes uur ’s avonds verwacht in  een restaurant in Meteren aan de A 15. Daar mochten we mee-eten met het bestuur van de organisatie en de doelgroep.  Na het diner maakten we een tocht in het donker door  de Betuwe. Wij, vier Eibergse blazers,volgden in een kleine Nissan-camper de grote touringcar.
We kwamen om ruim acht uur ’s avonds aan bij het Landgoed “Mariënwaert “ Daar onder het hoge geboomte hebben we volop geblazen en in de kelders van het landgoed de bijbehorende verhalen verteld. De terugweg 150 km naar Eibergen was niet prettig vanwege storm en natte sneeuw. Maar… een bijzondere  en boeiende ervaring was het zeker.

Enkele jaren geleden hebben we besloten om een vereniging te vormen omdat het tegenwoordig noodzakelijk is in verband met  de status van rechtspersoonlijkheid naar gemeente en banken b.v.

Anno 2014 bestaat de groep uit ruim 20 leden, die samen een prettige en hechte club vormen.
Een grote wens is om de eeuwenoude traditie te blijven vasthouden en door te geven!!!

Gerrit Hazewinkel